Schijnzelfstandigheid & Wet VBAR
Zzp'ers inhuren zonder naheffingsrisico: wat mag, wat verandert met de Wet VBAR, en wat je nu moet regelen.
Schijnzelfstandigheid in 2026: de cijfers, de regels en wat het je kost
De Belastingdienst handhaaft sinds 1 januari 2025 weer actief op schijnzelfstandigheid, en het effect is meetbaar: het aantal zzp'ers daalde in 2025 met 62.000, de scherpste terugval in jaren. Een speciaal team van 80 voltijds medewerkers legde tot december 2025 ruim 1.100 bedrijfsbezoeken en zo'n 300 boekenonderzoeken af. Vanaf 2026 kunnen daar vergrijpboetes bovenop komen die oplopen tot 100 procent van de naheffing. Tegelijk is de wetgeving die duidelijkheid moest brengen — de Wet VBAR — in maart 2026 grotendeels van tafel gehaald. Voor werkgevers betekent dat: het risico is reëel en de regels staan op losse schroeven, maar inhuren mag nog steeds. Dit artikel zet de stand van zaken op een rij.
De handhaving is terug, en de cijfers laten het zien
Jarenlang was schijnzelfstandigheid een papieren probleem. Er gold een handhavingsmoratorium: de Belastingdienst controleerde nauwelijks en greep alleen in bij aantoonbare kwaadwillendheid. Dat moratorium is per 1 januari 2025 opgeheven. Sindsdien kan de Belastingdienst weer correctieverplichtingen en naheffingen opleggen bij arbeidsrelaties die verkeerd zijn gekwalificeerd.
Het effect daarvan is geen theorie. Volgens het CBS daalde het aantal zzp'ers in 2025 met 62.000 — een terugval van ongeveer 5 procent, en de eerste daling sinds jaren. In de jaren daarvoor groeide de groep juist gestaag, tot bijna 1,3 miljoen zzp'ers met een hoofdbaan als zelfstandige eind 2024. De omslag was abrupt: in het eerste kwartaal van 2025 stapten 59.000 zzp'ers over naar een baan als werknemer, bijna twee keer zoveel als in hetzelfde kwartaal een jaar eerder.
Vooral onder jonge zelfstandigen was de uittocht groot. Het aantal zzp'ers tussen 15 en 27 jaar nam met 19.000 af, een daling van 18 procent. De grootste klappen vielen in de zorg en welzijn — sectoren waar veel met zelfstandigen wordt gewerkt en waar de Belastingdienst gericht controleert.
Het kabinet ziet die cijfers nadrukkelijk als bewijs dat de aanpak werkt. In een brief aan de Tweede Kamer schrijven de verantwoordelijke bewindspersonen dat de daling van het aantal zzp'ers een direct gevolg is van de hervatte handhaving en de communicatie eromheen.
Hoeveel controleert de Belastingdienst écht?
De handhaving leunt op een speciaal team van 80 voltijds medewerkers. De aantallen die dit team haalt, zijn op twee momenten naar buiten gekomen, en het is goed het verschil te kennen.
In een vroeg, later weer ingetrokken handhavingsplan stond dat de Belastingdienst in 2025 ongeveer 800 bedrijfsbezoeken en 237 boekenonderzoeken had uitgevoerd. Een bedrijfsbezoek is een oriënterend gesprek met de opdrachtgever, vaak eindigend in een waarschuwing. Een boekenonderzoek is de zwaardere variant: een formele controle die tot naheffingen kan leiden.
In de Kamerbrief van 10 december 2025 over de voortgang lagen de cijfers hoger: ruim 1.100 bedrijfsbezoeken en zo'n 300 boekenonderzoeken, waarvan ongeveer de helft op dat moment nog niet was afgerond. Het verschil tussen beide getallen zit in het peilmoment — de Kamerbrief is later en telt een langere periode mee.
Wat opvalt: het aantal controles is bescheiden afgezet tegen de bijna 1,3 miljoen zzp'ers in Nederland. De Belastingdienst gaat dan ook niet willekeurig te werk, maar risicogericht, op basis van data-analyse per sector. De focus ligt op evidente gevallen: constructies met arbeidsmigranten, opvallend lage tarieven, gedwongen zelfstandigheid en sectoren met een hoog risicoprofiel. De afschrikking werkt breder dan het aantal controles doet vermoeden — de daling van 62.000 zzp'ers laat zien dat de dreiging alleen al gedrag verandert.
Wat schijnzelfstandigheid precies is
Schijnzelfstandigheid ontstaat wanneer iemand op papier als zelfstandig ondernemer werkt — met een eigen inschrijving, facturen en een overeenkomst van opdracht — terwijl de feitelijke samenwerking veel meer weg heeft van een regulier dienstverband.
De kern zit in dat woord feitelijk. Wat er in het contract staat, is niet doorslaggevend. De Belastingdienst en uiteindelijk de rechter kijken naar de werkelijkheid achter de papieren. Staat er "overeenkomst van opdracht" boven, maar werkt iemand in de praktijk als werknemer — vaste functie, instructies, jaren bij dezelfde opdrachtgever — dan telt die praktijk.
Voor de opdrachtgever zijn de gevolgen direct. Blijkt achteraf dat een arbeidsrelatie eigenlijk een dienstverband was, dan kan de Belastingdienst de niet-afgedragen loonheffingen naheffen. En die naheffing landt bij de opdrachtgever, niet bij de zzp'er.
De toets: waar de rechter naar kijkt
Omdat het contract niet beslissend is, draait alles om de vraag: hoe beoordeel je dan of iemand echt zelfstandig is? Het antwoord komt uit de rechtspraak van de Hoge Raad, met name het Deliveroo-arrest. Daarin zijn de gezichtspunten geformuleerd die bepalen of een arbeidsrelatie een dienstverband is of zelfstandig ondernemerschap. Zolang er geen nieuwe wet is, blijven die gezichtspunten leidend.
Het gaat nooit om één doorslaggevend kenmerk, maar om het totaalbeeld. De belangrijkste punten:
Gezag en instructies
Bepaalt de opdrachtgever hoe, waar en wanneer het werk gebeurt, en stuurt hij inhoudelijk bij zoals bij een werknemer? Hoe meer sturing, hoe meer het op een dienstverband lijkt. Een echte zelfstandige bepaalt grotendeels zelf hoe hij zijn werk indeelt.
Inbedding in de organisatie
Draait de werkende structureel mee in het normale werk van de organisatie — vast bureau, bedrijfsmail, aanwezigheid in werkoverleggen — of opereert hij echt als externe partij? Iemand die jaar in jaar uit dezelfde functie vervult naast de werknemers, kleurt richting dienstverband.
Ondernemersrisico en extern ondernemerschap
Loopt de werkende echt risico als ondernemer? Denk aan meerdere opdrachtgevers, eigen investeringen, aansprakelijkheid voor fouten en schommelend inkomen. Sinds 2025 weegt het externe ondernemerschap volwaardig mee: de Belastingdienst kijkt nadrukkelijk naar hoe de zzp'er búiten de organisatie functioneert. Dat heeft een opmerkelijk gevolg — twee zzp'ers die binnen dezelfde organisatie exact hetzelfde werk doen, kunnen verschillend kwalificeren. De een als zelfstandige, de ander als werknemer. Het verschil zit niet in het werk, maar in het ondernemerschap van de persoon zelf.
Het misverstand over de modelovereenkomst
Veel opdrachtgevers denken nog dat een goedgekeurde modelovereenkomst hen vrijwaart. Dat klopt niet meer. Sinds 6 september 2024 beoordeelt de Belastingdienst geen nieuwe modelovereenkomsten meer. De aanleiding: de Hoge Raad gaf aan dat het systeem van modelovereenkomsten feitelijk niet werkt.
Bestaande, eerder goedgekeurde overeenkomsten blijven nog geldig tot en met 31 december 2029 — maar alleen zolang de feitelijke manier van werken aansluit bij wat erin staat. Een modelovereenkomst is daarmee hooguit een vertrekpunt, geen garantie. Werk je in de praktijk anders dan het papier voorschrijft, dan biedt het document geen bescherming. De praktijk wint altijd van de papieren werkelijkheid.
Wat een naheffing concreet kost
Hier worden de gevolgen tastbaar. De Belastingdienst kan met terugwerkende kracht handhaven tot 1 januari 2025. Dat betekent dat een controle in 2026 kan leiden tot een naheffing over één jaar, terwijl een controle in bijvoorbeeld 2030 kan oplopen tot een naheffing over vijf jaar — vanaf dan geldt weer de standaard terugkijkperiode.
De naheffing zelf bestaat uit de loonheffingen en premies die nooit zijn afgedragen. Daar kan vanaf 2026 een vergrijpboete bovenop komen als sprake is van opzet of grove schuld — bijvoorbeeld wanneer een opdrachtgever bewust waarschuwingen negeert. Die boete ligt tussen 10 en 100 procent van de naheffing. Met andere woorden: bij aantoonbare kwade trouw kan de rekening verdubbelen. Daarnaast worden ook de inkomstenbelasting van de zzp'er en eventueel de btw-afdracht gecorrigeerd.
En er is een risico dat los staat van de Belastingdienst. Civielrechtelijk kan een als zzp'er ingehuurde werkende achteraf aanspraak maken op werknemersrechten: doorbetaling, pensioenopbouw, cao-aanspraken of het minimumloon. Dat valt buiten het bereik van de fiscus, maar het is een reële extra blootstelling voor de opdrachtgever.
De zachte landing: wat 2025, 2026 en 2027 onderscheidt
De overgang naar volledige handhaving gebeurt gefaseerd, via een zogenoemde zachte landing. De jaren verschillen wezenlijk, en dat is voor je risico-inschatting het belangrijkste om te begrijpen.
In 2025 gold de zachte landing volledig: de Belastingdienst controleerde wel, maar legde geen boetes op naast een eventuele naheffing, en begon in beginsel met een waarschuwend bedrijfsbezoek.
In 2026 is de zachte landing gedeeltelijk verlengd, na politieke druk. Er worden nog geen verzuimboetes opgelegd, en de Belastingdienst begint nog steeds in principe met een bedrijfsbezoek voordat een boekenonderzoek volgt. Maar er is één belangrijke verzwaring: bij opzet of grove schuld kunnen wél vergrijpboetes worden opgelegd.
Vanaf 1 januari 2027 komen ook de resterende elementen van de zachte landing te vervallen — dan worden ook verzuimboetes weer mogelijk. 2027 is dus het jaar waarin de soepelheid echt verdwijnt.
De wetgeving die duidelijkheid moest brengen, is van tafel
Hier wordt het verhaal grillig. De Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden — kortweg Wet VBAR — was bedoeld om het grijze gebied te verkleinen en opdrachtgevers vooraf zekerheid te geven. Die wet is grotendeels gesneuveld.
Het coalitieakkoord 'Aan de slag' van eind januari 2026 kondigde al aan dat de VBAR grotendeels zou worden ingetrokken. Op 6 maart 2026 schrapte de verantwoordelijke minister vervolgens het verduidelijkingsdeel van de wet, met als reden dat het te veel onrust in de markt veroorzaakte. Wat overbleef is een uitgeklede versie: de Tweede Kamer nam op 21 april 2026 alleen het rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief aan. Bij een tarief onder ongeveer 38 euro per uur ligt de bewijslast bij de opdrachtgever om aan te tonen dat er géén arbeidsovereenkomst is, als de werkende zich op dat rechtsvermoeden beroept.
In plaats van de VBAR komt er een nieuwe Zelfstandigenwet, die duidelijkere regels moet geven. Die wet is beoogd per 1 januari 2028, maar die datum staat nog niet vast en de wet is nog niet formeel ingediend. Tot die er is, blijven de gezichtspunten uit de Deliveroo- en Uber-rechtspraak het toetsingskader.
Het gevolg is een ongemakkelijke situatie: de handhaving is opgevoerd, maar de wettelijke duidelijkheid die daarbij hoorde, laat op zich wachten. Belangenorganisaties wijzen daar terecht op — de combinatie van strenger controleren en onduidelijke regels legt het risico vol bij de opdrachtgever.
Wat dit voor jou als werkgever betekent
De rode draad door dit alles: de bewijslast verschuift naar de opdrachtgever. Je kunt niet meer leunen op een handtekening onder een contract. Je moet kunnen laten zien dat de samenwerking in de praktijk die van een zelfstandige is, aan de hand van de gezichtspunten hierboven.
Dat is geen reden om te stoppen met het inhuren van zzp'ers. De boodschap van vrijwel alle deskundigen is consistent: de risico's zijn reëel maar beheersbaar, en zzp'ers inhuren kan nog steeds, mits de opdracht zorgvuldig is ingericht en goed is vastgelegd. Het betekent bewuster inrichten — echte vrijheid in de uitvoering, geen structurele invulling van een vaste functie, aantoonbaar ondernemerschap — en dat niet alleen op papier, maar in hoe de samenwerking feitelijk verloopt.
Bronnen
- CBS — Aantal zzp'ers in 2025 gedaald met 62 duizend
- ZiPconomy — Handhaving schijnzelfstandigheid: 800 bedrijfsbezoeken, arbeidsmarkteffect zichtbaar
- Jongbloed Fiscaal Juristen — Boetes en naheffingen bij schijnzelfstandigheid vanaf 2026
- PwC — Handhaving schijnzelfstandigen vanaf 2026
- Randstad — Schijnzelfstandigheid en zzp-regels in 2026: tips voor werkgevers
- De Zaak — Handhaving schijnzelfstandigheid in 2026: de stand van zaken
---
Verdiepende artikelen over dit onderwerp
Veelgestelde vragen
Mag ik in 2026 nog zzp'ers inhuren?
Ja. De regels over wat is toegestaan zijn niet veranderd; de handhaving erop wel. Een zorgvuldig ingerichte en goed vastgelegde opdracht doorstaat de toets.
Wat is het verschil tussen een bedrijfsbezoek en een boekenonderzoek?
Een bedrijfsbezoek is een oriënterend gesprek, vaak met een waarschuwing als uitkomst. Een boekenonderzoek is een zwaardere, formele controle die tot naheffingen kan leiden.
Krijg ik in 2026 meteen een boete?
Niet automatisch. In 2026 worden geen verzuimboetes opgelegd en begint de Belastingdienst meestal met een bedrijfsbezoek. Alleen bij opzet of grove schuld zijn vergrijpboetes mogelijk.
Hoe ver terug kan de Belastingdienst naheffen?
Tot 1 januari 2025. Hoe later de controle, hoe meer jaren kunnen worden meegenomen — vanaf 2030 geldt weer de standaard van vijf jaar.
Hoe hoog kan een vergrijpboete zijn?
Tussen 10 en 100 procent van de naheffing, bij aantoonbare opzet of grove schuld.
Beschermt een modelovereenkomst mij nog?
Alleen als de praktijk overeenkomt met wat erin staat. Bestaande modelovereenkomsten zijn geldig tot eind 2029, maar nieuwe worden sinds september 2024 niet meer beoordeeld.
Wat is er met de Wet VBAR gebeurd?
Het verduidelijkingsdeel is in maart 2026 geschrapt. Alleen het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief blijft over. Een nieuwe Zelfstandigenwet is in de maak, beoogd per 1 januari 2028 (datum nog niet vast).
Wat is het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief?
Bij een tarief onder ongeveer 38 euro per uur moet de opdrachtgever bewijzen dat er géén arbeidsovereenkomst is, als de werkende zich op dat vermoeden beroept.
Op welke sectoren let de Belastingdienst vooral?
De Belastingdienst stelt dat schijnzelfstandigheid in alle sectoren voorkomt en handhaaft niet doelgroepgericht, maar de intermediairsector krijgt wel extra aandacht vanwege de keteneffecten.
Geldt het risico ook als de zzp'er akkoord is met de constructie?
Ja. De kwalificatie hangt af van de feiten, niet van wat partijen afspreken. Ook de civielrechtelijke claims (pensioen, cao, minimumloon) staan los van wat de zzp'er wil.
Wat verandert er in 2027?
Dan vervallen de laatste elementen van de zachte landing: ook verzuimboetes worden weer mogelijk, en de Belastingdienst kan sneller doorpakken.
Wie draait op voor de naheffing — ik of de zzp'er?
De opdrachtgever. De naheffing van loonheffingen landt bij het bedrijf dat de zzp'er inhuurde.
